De duiveluitbanning (uit Mary Glover)

Het was inmiddels zes uur ’s avonds en donker. Het zwaarste zou nog komen. Satan had zijn laatste aanval geopend en de zintuigen van de bezetene geheel ontzet. Haar ogen waren naar boven gericht, haar gezicht vertoonde gruwelijke grimassen, met haar mond excessief wijd open, haar tong zwart naar binnen gekruld. Haar hoofd schudde wild heen en weer. Soms keek zij dreigend en bewoog zich naar de vrouwen die om haar heen knielden, alsof ze hen wilde verslinden. Een predikant knielde achter haar, maar moest gaan staan om haar tegen te houden, omdat ze zich afzette en stoel én predikant naar achteren duwde. Meerderen moesten helpen haar in toom te houden. Ze stootte kreten uit die klonken als het geblaf van een hond en als geluiden van andere dieren, terwijl zij spuug uitbraakte in het gezicht van de geestelijke en daarna richting knielende of meevechtende omstanders. Intussen, terwijl zij pogingen tot braken voortzette, declameerde een predikant de profetie van de vrouw die het hoofd van de slang zal breken, en van de Heer die het monster Leviathan zal overwinnen door een sikkel in zijn neusgaten te slaan, die over de brullende leeuw en de adder zal lopen en de draak onder zijn voeten verbrijzelen. Om genade roepende aanwezigen zagen hoe zij, terwijl ze al enige tijd blind was, toch in het gezicht van de predikant spuugde. Haar vader barstte in een zo hartstochtelijk gehuil uit dat Swan probeerde hem te troosten met de gedachte dat dit gevecht wel een teken was van Satans naderende nederlaag. Maar er waren er ook die vreesden dat het meisje de strijd niet zou overleven.