Liefdeswaanzin

In 1624 schreef de Fransman Jacques Ferrand een prachtig boek over verliefdheid en liefdesverdriet, de Erotomania. Verliefdheid werd in die tijd vaak als vorm van waanzin beschreven, omdat het daar tenslotte wel wat kenmerken van had: een prettige en in eerste instantie onschuldige vorm van vervoering of trance die kon uitgroeien tot wanhoop en soms waanzin, voorbij alle grenzen van redelijkheid. Wanhopigen doolden rond, zwierven door de nacht en raakten soms helemaal verwilderd. In zijn Erotomania vroeg Jacques Ferrand zich af door welke gebieden verliefdheid werd voortgebracht: het brein, het hart, de hypochondriën (ingewanden, buik) of de geslachtsdelen? Het zielenleven werd in deze psychologie niet alleen vanuit het brein maar even sterk vanuit de organen aangestuurd. Wat is de zetel van de liefdeswaanzin? vroeg Ferrand zich af. Hij kwam tot een uit evenwicht geraakt krachtenspel tussen hevige passie in het hart, begeerte in de buik, lust in de geslachtsdelen, en overactiviteit van de verbeelding. Het was vooral die overactiviteit in het hoofd die de verliefdheid tot een obsessie maakte. Door het dwangmatig herhalen van steeds dezelfde voorstellingen en gedachten in de verbeelding werden de organen steeds opnieuw met onstilbaar verlangen gevoed. Hart, buik en geslachtsdelen waren hier letterlijk bronnen van gevoel en verlangen. Evengoed als het brein werden zij verondersteld wensen en bedoelingen in menselijke zin te hebben. Het brein kon meewerken en helpen, maar ook opjagen en verstoren.