Plato over waanzin

‘De grootste zegeningen komen van de waanzin’, schreef Plato. Het was de waanzin die priesteressen van orakels in staat stelde de toekomst te voorspellen. Gewone, door de mens bedachte vormen van profetie, zoals vogelschouw en droomuitleg, waren niet meer dan zwakke afspiegelingen van de ‘heilige waanzin’ die slechts een enkeling kon overvallen. Door zang, dans en extase probeerde men iets van die heilige waanzin te proeven, maar ook in de meer gangbare zielentoestanden, zoals verliefdheid of geïnspireerdheid, was waanzin te herkennen. Verliefden laten de liefdesgod Eros in zich toe, dichters stellen zich open voor de influisteringen van de muzen. Waanzin is de vervoering voorbij de grenzen van het redelijke. Het verstand kan dit hoogstens in de weg staan. Wil men de waanzinnige werkelijkheid een kans geven, dan moet het verstand tijdelijk een ondergeschikte rol spelen en de rede niet langer in ons ronddolen. De waanzin als extreme vorm van inspiratie is huiveringwekkend en soms ook griezelig en verwoestend, maar tegelijkertijd waarachtig en een bron van verborgen kennis. De waan hoort bij het leven, zoals de goden, de dromen en de nacht.

Onze taal is nog steeds doordrongen van woorden en zegswijzen die aan oude halfvergeten levens-beschouwingen herinneren, zonder dat we daarbij stilstaan. Zoals het woord inspiratie. Thomas Hobbes schreef dat mensen die zich geïnspireerd voelen, ingeblazen door een hogere macht, doorgaans aan een vorm van waanzin lijden en dat bezetenen niet voor niets in het Italiaans spirati genoemd worden. Tegenwoordig bedoelen we met inspiratie niet meer dat muzen ons iets influisteren of furiën woede in ons blazen. We bedoelen dat we op een idee komen of dat we in een creatieve stroom zitten. Het woord inspiratie heeft het overleefd terwijl het begrip inspiratie aan het moderne mensbeeld is aangepast.