Een geheugentheorie (1644)

Volgens de mechanicist Digby blijven indrukken die tegelijkertijd in de hersens binnenkomen altijd bij elkaar, ook als ze verschillend van aard zijn en niet door een gemeenschappelijke gelijkenis verbonden zijn. Boodschappers (deeltjes) die een herinnering in het geheugen ophalen, zullen altijd enkele deeltjes meenemen die ooit op hetzelfde moment in het brein binnenkwamen. Een muziekstuk bijvoorbeeld, zal altijd met de persoon of gebeurtenis verbonden blijven waarmee het ooit samen de verbeelding binnendrong. Sommige deeltjes worden nooit meer opgeroepen. Ze blijven ergens in het geheugen achter, als een vergeten doos in een pakhuis, die wel steeds wordt aangestoten door andere dozen en daardoor afbrokkelt en van vorm verandert. Ze kunnen door toeval nog weleens met een ander deeltje meegenomen worden en dan een onbestemde beroering in de verbeelding teweegbrengen, iets wat op een herinnering lijkt, maar zonder dat duidelijk wordt welke. En nu gebeurt er iets spannends, want wanneer vergeten indrukken niet te vinden zijn, kunnen de boodschappers zelf herinneringen gaan samenstellen. Ze doen dat door deeltjes die enigszins op het gezochte lijken mee te nemen naar de verbeelding. Zo ontstaan foutieve herinneringen. Een fenomeen dat volgens Digby het correct herinneren nog moeilijker maakt, is dat in het geheugen niet alleen wordt opgeslagen wat men ooit heeft waargenomen, maar ook wat men er sindsdien over gedacht heeft. Volgens de wetmatigheid dat op elkaar gelijkende herinneringen bij elkaar blijven, worden latere gedachten ook bij de herinneringen in het geheugen opgeslagen. Zo ontstaan complexe constellaties van elkaar aanrakende en meesleurende deeltjes, en dus door elkaar gemengde gedachten en beelden. Wij lopen onvermijdelijk met talloze vervormde herinneringen rond.