Verleiders en monsters

Het was Freud die zei dat wanneer verlangens voor het bewuste ‘ik’ ontoelaatbaar zijn, deze door de innerlijke censuur worden vervormd tot iets slechts of afzichtelijks. De censuur is de vertegenwoordiger van het verinnerlijkte verbod. Door de vervorming kan de hoeveelheid psychische energie (de drift) wel doorstromen, maar alleen in beelden die voldoen aan de normen van de censuur, dus in beelden die slecht en afkeurenswaardig zijn. Verlangens en voorstellingen worden dus bewustzijnsgeschikt gemaakt, opdat het bewuste ‘ik’ gevrijwaard blijft van zowel de verboden verlangens als van de schuldgevoelens daarover. Het geweten hoeft niet in nood te komen. Een extreme variant van dit proces is wat Freud ‘tegenbezetting’ noemde: wanneer de verlangens zodanig toenemen dat de censuur haar invloed alsnog dreigt te verliezen, wanneer de verdringing dus mislukt, gaat de censuur het contrast met het begeerde object versterken door een tegenbeeld te creëren. Het is daarom dat het begeerde object plotseling in een monster kan veranderen, het klassieke onderdeel van dromen en demonologie. De lust wordt in walging gesmoord.