Het ‘ik’

Er is (volgens Henry More, 1654) steeds een plek nodig die niet meebeweegt met zintuiglijke indrukken. We moeten iets stil kunnen houden in onze geest. Het is mogelijk dat we met gedachten naar plaatsen gaan waar we nu niet zijn, dat we met onze verbeelding achter de objecten datgene aanvullen wat we niet zien, dat we innerlijke impulsen kunnen relativeren, erop ingaan of ze laten wegebben. Daarvoor is een punt nodig dat niet de indruk of de impuls zelf is, een punt dat daarbuiten staat, dat daar doorheen kan bewegen zonder meegevoerd te worden. More vergelijkt dit met licht. Licht heeft altijd een middelpunt waar het het felste is. Dit is niet zichtbaar of begrensd, en toch het middelpunt. Volgens More kan dit alleen maar in het hoofd zijn, de plek van waaruit we indrukken uit de omgeving én impulsen uit ons lichaam waarnemen, maar waar het zelf rustig kan blijven, vanuit doorzichtige helderheid. Dit punt is het ‘ik’, in More’s woorden het ‘I myself’, het middelpunt van de cirkel. Vanuit het ‘I myself’ kan de mens de dingen in perspectief plaatsen.